Vaarwel, kleine man

In de loop van het najaar van 2021 begon Pernod wat te sukkelen met zijn gezondheid. In de vroege uren van de dag hoorde ik hem af en toe braken. Natuurlijk gingen we met hem naar de dierenarts. Die onderzocht de kleine man en vond niks bijzonders. We gingen naar huis met wat tabletjes voor zijn maag en daarmee was het probleem weer even opgelost. Een tijdje later begon hij te knoeien met zijn voer. Als Pernod at, legde hij vaak zijn hapjes eerst naast zijn bakje op de grond voordat hij ze opat. We waren dus wel gewend aan wat rommel op de placemat onder zijn buffet. Maar opeens lag er meer en meer rommel. Vreemd. Weer naar de dierenarts. Die dacht dat Pernod wellicht last van een of meerdere ontstoken tanden had. We werden verwezen naar een dierentandarts. Ik wist niet eens dat dat bestond! Maar natuurlijk ging ik. Alles om mijn kleine vriend comfort te geven. 

De tandarts had het al snel gezien: Pernod had slechte tanden, maar geen ontstekingen. Dat kon de oorzaak van het geknoei niet zijn. Weken verstreken. Weer braken. Altijd ’s ochtends vroeg, op een lege maag. Een maagontsteking? Maagzuur? Pilletjes dit, druppeltje dat. En het gekke is: al die tijd was ik bezorgd om Pernod maar ik dacht geen moment aan iets fataals. Terugkijkend vind ik dat heel vreemd. Ik ben normaal gesproken nogal snel ongerust, maar in dit geval… Waarschijnlijk kwam het omdat ik dacht dat hij met zijn twaalf jaar nog jaren voor de boeg had. Maar vooral omdat de kleine man altijd zo opgewekt was. Elke ochtend, als ik de slaapkamer opende, barstte hij bijna uit zijn voegen van puur geluk. Zijn loop leek meer op een huppel als hij voor me uit naar de keuken rende. Daar kreeg hij dan zijn voer. Om mee te knoeien. Ik ruimde het weer op met een glimlach. Pernod was een heel gelukkige jongen, altijd. Als ik daaraan terugdenk, komen de tranen alweer. Wat een cadeau om zo’n vriendje te hebben.  

En toen kwam de dag waarop ik met mijn man in de keuken was en we beiden naar Pernod keken en zagen dat hij wel probeerde, maar niet meer kon eten. Hij nam eten in zijn mond, schudde zijn hoofd en liet het weer vallen. Nog een hapje. Weer hetzelfde. We keken elkaar aan, en we wisten allebei: dit is niet goed. Helemaal niet goed. Weer naar de dokter. Die schudde haar hoofd en zei: we gaan zijn bloed onderzoeken. Hij heeft iets onder de leden, maar wat? Nierproblemen? Lever? De volgende ochtend ging Pernod nuchter naar de kliniek. Ik moest hem achterlaten en vond het vreselijk. Maar ik legde hem in liefdevolle handen, want iedereen in deze praktijk had inmiddels een boontje voor onze kleine vedette. Een paar dagen later kregen we de uitslag van het bloedonderzoek. Alles leek min of meer in orde, op 1 ding na: Pernod had een stevig vitaminetekort. Dat wees op een slechte opname van voedsel. En hij had gewicht verloren. Geen wonder. De dokter stelde voor om een echo te laten maken van zijn ingewanden. ‘Misschien zit er iets in zijn maag dat er niet hoort. Katten eten wel eens iets op. Een elastiekje kan al verstrekkende gevolgen hebben.’ We moesten een paar dagen wachten voordat Pernod onder de echo kon. Inmiddels knipperden alle alarmlichten in mijn hoofd. Ik sliep slecht. Stond midden in de nacht op om te gaan kijken hoe de kleine man het maakte. Als ik in de donkere living mijn hand op zijn hoofdje legde, hoorde ik hem spinnen, zonder dat hij zijn ogen opende. Hij wist dat ik bij hem was en daar werd hij dan alweer happy van. Oh, hartenbreker. 

Mijn echtgenoot vond een manier om toch wat voedsel in Pernods lijf te krijgen. Hij kocht paté en serveerde die in kleine hapjes op de rand van een bordje. Dat kon Pernod oplikken. En hij genoot er met volle teugen van. Het kostte ons 3x per dag minstens een half uur om hem voldoende te laten eten, maar we deden het met zoveel liefde. En we zagen resultaat: het buikje begon weer wat ronder te staan. 

Toen kwam de echo. Ditmaal mocht ik erbij blijven, zodat ik hem kon kalmeren en er geen narcose nodig was. Ik probeerde te ontcijferen wat ik allemaal op het computerscherm zag, maar werd er natuurlijk niet wijzer van. De arts praatte opgewekt terwijl hij de organen afging. ‘Kijk, zijn lever. Ziet er goed uit! En zijn nieren: prima voor een kat van deze leeftijd!’ En toen werd het stil. ‘Waar kijkt u nu naar?’ vroeg ik. ‘Naar de maag’, zei hij. ‘En daar bevindt zich een probleem’. Toen het licht werd aangeknipt in de behandelkamer om het resultaat van de echo te bespreken, ging er een lichtje uit in mijn hart. Ik kon aan de gezichten zien dat dit niet goed was. De dokter probeerde de moed er nog in te houden. ‘Ik zie weefsel,’ zei hij. ‘Dat kan nog altijd van alles zijn. Een goedaardig gezwel, bijvoorbeeld. Maar het is wel de reden waarom deze kat geen voedsel meer kan verwerken. Zijn maag zit vol, ook zonder eten. Het is te vroeg om je heel veel zorgen te maken, het kan nog alle kanten uit. Er zijn wellicht behandelingen mogelijk. Maar om meer te weten, moeten we een punctie doen. Morgenochtend, stel ik voor’. Ik ging zitten op een krukje en deed moeite om adem te halen. Verslagen gingen we naar huis, de kleine man en ik. We liepen recht in de armen van de grote man. 

Die avond brak ik mijn hoofd. Ik voelde dat het niet goed zat. Dat ik geen goed nieuws zou krijgen. Om de punctie te laten maken moest er in Pernod gesneden worden. Dat stond me enorm tegen. En als ik één ding wens voor mijn dieren, dan is het een comfortabel leven. Zo weinig mogelijk pijn en ongemak. Ik ben niet iemand die het leven koste wat kost altijd wil redden. Als het tijd is om los te laten, dan moet het, in belang van het dier. De menselijke tranen zijn dan voor later. Dat is de prijs die je betaalt. De verantwoordelijkheid die je op je neemt als je naast een nestje schattigheid zit en zegt: ‘Die! Die hoort voortaan bij mij.’ 

Maar nu, oog in oog met een groot probleem voor Pernod, wist ik opeens niet veel meer zeker. De ingreep stond me tegen, maar gewoon opgeven kon ik ook niet. Toen ik vroeg in de ochtend met Pernod -alweer- naar de kliniek liep, sleepte mijn ziel achter me aan over de ijzige grond. Op hoop van zegen gaf ik mijn vriendje af aan de receptie. Ik mocht niet bij hem blijven totdat hij sliep, hoe ik ook mijn best deed om de assistente te overtuigen. Met lood in mijn schoenen slofte ik naar huis. ‘Als er iets bijzonders is, zullen we bellen’, zei ze nog. Ik wist dat er gebeld zou worden.

Er werd gebeld. ‘We moeten praten’. De grote man en ik renden naar de kliniek, buiten adem kwamen we binnen en daar stond de chirurg met zijn schort nog om. ‘Het ziet er niet goed uit. Deze kat kunnen we niet redden. Hij overleeft deze ingreep wel, maar daarna zal er niet veel uitzicht meer zijn. U moet erover nadenken of het verstandig is om hem uit zijn narcose te laten ontwaken. Of dat we hem nu laten inslapen om hem alle verdere ongemak te besparen.’

Hemelsluizen. Storm in mijn hart. Ik wil niet beslissen over dood en leven. Ik wil dat het leven beslist, niet ik! Niet over mijn beste vriend. Natuurlijk wil ik hem houden. Kom, lap hem op en we gaan naar huis. Hij mag zoveel knoeien met zijn eten als hij wil, wat kan het me schelen? Niks! Maar het boek met de eigen wensen was al dicht. Het werd heel stil in mij. Ik wist het antwoord. We lieten hem gaan. Uit liefde, enkel liefde. Vraag me niet, wat het me koste. Zwijg erover. Stil.

We gingen naar huis met een roerloze Pernod in zijn mandje. Geen woord onderweg. Niks. Het gewicht van het mandje met inhoud klopte, maar dat was ook alles dat klopte. Verder klopte er niks. Geen hartje. Thuisgekomen legden we Pernod op zijn vaste plekje voor de haard. Hij zag er zo volmaakt uit, zo perfect. Vervolgens haalden we Cootje om haar afscheid te laten nemen van haar soulmate. Ze snuffelde en liep een paar keer om Pernod heen. Vervolgens liep ze de kamer uit en wilde niet meer terugkomen. We wisten het op dat moment nog niet, maar Cootje zou de plek voor de haard dagenlang blijven mijden. 

We legden Pernod in een oud wijnkistje en begroeven hem onder de dikke oude beuk in de tuin. 

Vaarwel, kleine man. Dank je wel voor dat vele, vele.